"80 procent van de Nederlanders heeft een pensioengat"

Woordenlijst pensioen K - O

Kapitaaldekking
In een systeem van kapitaaldekking wordt er meteen bij het toekennen van een pensioenaanspraak geld opzij gezet om later de pensioenuitkering te kunnen betalen. De pensioenpremies worden gespaard en belegd. Voor iedere deelnemer bouwt de pensioenuitvoerder zo het kapitaal op dat nodig is om later het pensioen uit te betalen.

Keuzerecht
Het recht om uiterlijk op de pensioendatum je opgebouwde nabestaandenpensioen om te zetten in een hoger of eerder ingaand ouderdomspensioen. Het keuzerecht is niet van toepassing op nabestaandenpensioen dat op risicobasis is verzekerd.

Levensloopregeling
Een regeling waarbij je ten hoogste 12% van je brutoloon kunt sparen. Ben je op 1 januari 2005 tussen de 50 en 55 dan mag je nog meer sparen. Je levenslooptegoed mag ten hoogste 210% van je jaarsalaris bedragen. Je kunt in de levensloopregeling sparen voor inkomen tijdens verlofperiodes. Je
werkgever mag een financiële bijdrage aan de levensloopregeling leveren. Over de uitkeringen uit de levensloopregeling wordt belasting geheven. Ook kun je het levenslooptegoed gebruiken om eerder te stoppen met werken of om door te sluizen naar je ouderdomspensioen.

Lijfrente
Aanspraak op een reeks vaste periodieke uitkeringen, die uiterlijk bij overlijden eindigt. Te vergelijken met een uitkering uit een pensioenregeling. De aanspraak is afhankelijk van het leven van één of meerdere personen.

Lijfrentepremieaftrek
De premie betaald voor een lijfrenteverzekering kan onder bepaalde voorwaarden in mindering worden gebracht op het belastbaar inkomen. Over de lijfrenteuitkering moet te zijner tijd belasting worden betaald.

Middelloonregeling
In de middelloon- of opbouwregeling wordt je pensioen berekend op basis van het gemiddelde salaris dat je tijdens je loopbaan hebt verdiend. Je in eerdere jaren opgebouwd pensioen wordt niet opgehoogd tot het niveau van het laatste salaris. Je eenmaal opgebouwde rechten worden bij een middelloonregeling meestal wel geïndexeerd. Indexering is echter nagenoeg altijd voorwaardelijk.

Nabestaandenpensioen
Pensioen dat - doorgaans levenslang - wordt uitgekeerd aan de partner (of kinderen) van de deelnemer aan een pensioenregeling. Verzamelnaam voor weduwen-, weduwnaars-, wezen- en partnerpensioen.

Nabestaandenpensioen op opbouwbasis
Als je nabestaandenpensioen opbouwt, vorm je een 'potje'. Hieruit ontvangt je nabestaande na jouw overlijden een uitkering. Stop je met opbouwen, omdat je bijvoorbeeld niet meer aan een pensioenregeling meedoet, dan houd je recht op het nabestaandenpensioen dat tot op dat moment is opgebouwd. Is het nabestaandenpensioen opgebouwd dan houd je recht op het pensioen bij ontslag. Na een echtscheiding houdt je ex-partner recht op het nabestaandenpensioen dat tot de datum van echtscheiding is opgebouwd. Je kunt het opgebouwde nabestaandenpensioen, met instemming van je partner, op de pensioendatum inruilen voor een hoger of eerder ingaand ouderdomspensioen.

Nabestaandenpensioen op risicobasis
Je bent verzekerd tegen het risico dat je komt te overlijden. Kom je inderdaad te overlijden, dan krijgt je nabestaande een nabestaandenpensioen. Wanneer de premiebetaling stopt (bijvoorbeeld
bij ontslag of op de pensioendatum), dan is er geen aanspraak op een nabestaandenpensioen.
Is je nabestaandenpensioen op risicobasis verzekerd, dan vervalt het pensioen bij ontslag. Op de
pensioendatum is er geen nabestaandenpensioen, dus je kunt dit ook niet inruilen. Wel biedt de pensioenregeling de mogelijkheid om bij pensionering een deel van je ouderdomspensioen in te ruilen voor een nabestaandenpensioen.

Opbouwpercentage
Per jaar bouw je een deel van je uiteindelijke pensioen op. In een eindloon- of middelloonregeling bouw je vaak ieder jaar 1/40e deel op, ofwel 1,75%. Deze 1,75 is het opbouwpercentage per dienstjaar. Maar ook andere opbouwpercentages kom je tegen, bijvoorbeeld 2 of 2,25%.
Oudedagslijfrente
Deze lijfrente is bedoeld als een levenslange ouderdomsvoorziening. De lijfrente kan ingaan wanneer je maar wilt. Als jij de premie hebt afgetrokken, mag de uitkering alleen aan jou plaatsvinden.

Ouderdomspensioen
Het ouderdomspensioen krijg je uitgekeerd vanaf de pensioendatum (meestal 65 jaar) tot je overlijden, meestal in maandelijkse termijnen.
Overbruggingspensioen
Kent je pensioenregeling een pensioendatum eerder dan 65? Dan krijg je meestal bovenop je ouderdomspensioen ook een overbruggingspensioen om het gemis aan AOW op te vangen. AOW krijg je immers pas op je 65e. Het overbruggingspensioen compenseert vaak ook de hogere belasting die je tot je 65e betaalt. Het is dus een extra pensioen naast je gewone ouderdomspensioen. Het gaat in vanaf de dag dat je met pensioen gaat tot uiterlijk je 65e. Vanaf dat moment krijg je immers ook AOW en betaal je minder sociale verzekeringspremies. Daardoor kan het overbruggingspensioen vervallen. Voor het overbruggingspensioen geldt soms een kortere opbouwperiode, bijvoorbeeld de 10 of 20 jaar voorafgaand aan je pensioendatum.


Pensioen Checkup - laat je pensioen nakijken

Pensioengat

Adviseren

Jaarruimte berekenen